AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

Anonieme Flevolanders

18 november 2015

Mijn naam is Eva Vriend, ik ben 42 jaar en ik voel me thuis in Flevoland. 

Het was niet lang na mijn dertigste verjaardag dat ik besloot om terug te verhuizen naar de polder, de Noordoostpolder, mijn polder. Het was een intuïtieve keuze. Weloverwogen kan ik ‘m niet noemen. Ik kon moeilijk uitleggen waarom ik terug wilde. Het werd me wel heel vaak gevraagd. Ga je in Flevoland wonen? Hè? Daar, op die vlakte? Daar valt toch niets te beleven?

Inmiddels ben ik ruim tien jaar verder. Ik heb hier met mijn vriend een huis gekocht, onze twee kinderen groeien hier op, ik schreef zelfs een boek over de polder: Het Nieuwe Land, De polder die perfect moest zijn.

Sinds het verschijnen van dat boek moet ik de vraag opnieuw heel vaak beantwoorden, maar nu aan journalisten en tijdens lezingen door heel het land (bijvoorbeeld: tijdens een literair festival in Groningen). Ik zou er nog een identiteitscrisis van krijgen. Ik moet me zo vaak verantwoorden over mijn beslissing om in Flevoland te willen wonen dat het soms voelt als zo’n statement aan het begin van een bijeenkomst van de Anonieme Alcoholisten.

Mijn naam is Eva Vriend, ik ben 42 jaar en ik voel me thuis in Flevoland.

Het was niet vanzelfsprekend om terug te keren. 
Ik vind het helemaal niet leuk om over die kale vlakte te fietsen, al heb ik dat in menig interview met een journalist van een landelijk medium braaf verkondigd. Om van het gezeur af te zijn. Ik baal van de beperkte culturele voorzieningen in de Noordoostpolder. Daar komt bij dat mijn vriend en ik beiden universitair zijn geschoold en dan is het best lastig om hier een baan te vinden die bij je past. Zo niet onmogelijk. Wij rijden voor ons werk in ieder geval altijd de polder uit. 
Vanwege de beperkte carrièremogelijkheden is het evenmin vanzelfsprekend dat we blijven. De kans is reëel dat we Flevoland weer eens uit verhuizen. Waarbij Parijs een serieuze optie is, want mijn vriend  werkt voor een Frans bedrijf. 
Waarbij ik meteen moet bekennen dat ik al een steek in mijn hart voel als ik het denk. Of, zoals ik in mijn boek schrijf: Tijdens die vele fietstochten door de polder moet ik toch mijn hart zijn verloren.

Ik verbaas me zelf. Waarom ben ik toch zo verknocht aan Flevoland?

In mijn boek Het Nieuwe Land beschrijf ik de strenge selectiemethode die de eerste generatie Flevolanders moest ondergaan. Onze ouders of grootouders mochten hier niet zomaar komen wonen. Je moest over een krachtige pioniersgeest bezitten, veerkrachtig zijn, vitaal, ondernemend, een durfal, een harde werker, oog hebben voor de gemeenschap, niet bang zijn voor het avontuur, en, niet onbelangrijk, je moest eigenwijs zijn. Omdat iedere succesvolle ondernemer in de kern nu eenmaal een eigenwijs portret is.
Heeft de selectie op deze eigenschappen een volksaard opgeleverd die typisch is voor de Flevolanders en die hen onderling verbindt? Herken ik me daarin? Voel ik me er daarom zo thuis? Wat bindt de Flevolanders eigenlijk?

Eind negentiende eeuw boog de Franse wijsgeer Ernest Renan zich ook over het vraagstuk wat mensen bindt. Hij schreef er het boek Qu’est-ce qu’une nation? over, dat in 2013 opnieuw in Nederlandse vertaling verscheen. Een natie ontstaat volgens Renan niet vanuit een gedeeld ras of een gemeenschappelijk etniciteit, taal of geloof. Het heeft evenmin iets te maken met de woonplaats zelf, zo stelde hij. 
Nee, een gemeenschap ontstaat door de wil om samen te zijn, als een geestelijke familie met een gemeenschappelijke erfenis aan herinneringen, een gemeenschappelijk geschiedenis. 

Hoe staat het daarmee in Flevoland? Voel ik mij er thuis omdat ik een geschiedenis deel met mijn plaatsgenoten?
Uit onderzoekgegevens van het Meertensinstituut over 2007 blijkt dat in mijn woongemeente die wil om samen te zijn niet relatief hoog is. Van alle dertig- tot vijftigjaren in de Noordoostpolder is 35 procent hier geboren en dus ook gebleven, of, zoals in mijn geval, na bijna vijftien jaar te hebben rondgezworven weer teruggekeerd. 35 procent is dus net zo gehecht aan de poldergrond als ik. 

Hoe zit dat met mijn generatiegenoten in de rest van Flevoland? Het percentage keldert er omlaag. In Dronten is slechts 3,5 procent van de 30 tot 50 jarigen daar ook geboren. Lelystad en Zeeland komen uit op nul procent, nada, niets. Almere scoort met 0,2 procent iets hoger. 

De percentages zullen niet verbazen. 
Flevoland is een jonge provincie. Nog geen drie generaties geleden zwommen hier vissen in een woeste Zuiderzee. We wonen op de bodem van de zee. We hebben nog nauwelijks de tijd gehad om de wil tot samenzijn te ontwikkelen – zoals de Franse wijsgeer Renard dat noemde. 

In de oudste gemeente van Flevoland ligt het dan ook heel anders. Voor Urk vliegt het percentage omhoog: bijna 80 procent van de 30 tot 50 jarigen is ook op het voormalig eiland geboren. In andere plattelandsgemeenten in de rest van Nederland schommelt het percentage rond de 60 procent. In stedelijke gemeentes ligt het gemiddelde weer lager: Amsterdam 27 procent, Utrecht 28 procent.

Dat de Noordoostpolder voor Flevolandse begrippen relatief veel ‘plakkers’ telt, ook in vergelijking tot de Randstand, is eveneens logisch. De Noordoostpolder is de oudste gemeente van Flevoland, op Urk na natuurlijk, en kent al een derde en vierde generatie bewoners. Zij hebben al meer tijd gehad om de wil tot samenzijn te ontwikkelen. 

Ik moet mezelf dan ook corrigeren: ik voel me niet thuis in Flevoland, ik voel me thuis in de Noordoostpolder. Met de rest van de provincie heb ik niet zoveel. Op Urk woont een vriendin en mijn zoon moet er af en toe voetballen. Anders zou ik er nooit komen. Ook al woon ik er maar 10 kilometer vandaan. Dronten en Lelystad doe ik alleen aan als ik er voor mijn werk iets te zoeken heb. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst in Zeewolde ben geweest. En Almere? Daar rijd ik met mijn gezin wel eens heen als we op een regenachtige zondagmiddag zin hebben om te shoppen. Dan zijn daar de winkels wel open. 

Flevolanders voelen zich nog niet onderling verbonden, omdat zij nog geen geschiedenis delen. Daarvoor is de provincie nog te jong. Hier komt nog bij dat de onderlinge gemeentes in ouderdom verschillen en dat heeft veel invloed, juist doordat ze nog zo jong zijn. Bij kinderen werkt het net zo. Een leeftijdsverschil van twee jaar met een schoolgenoot voelt als een eeuwigheid. Als je eenmaal volwassen bent, stelt dat onderscheid niets meer voor.
Dé Flevolander bestaat niet. Nog niet. Om de metafoor met de jeugdjaren nog even door te trekken: je zou de jongste provincie van Nederland kunnen zien als een puber op zoek naar zijn bestaansrecht, met alle kenmerken die daar bij horen. Opstandig, onzeker, soms zichzelf overschreeuwend, maar ook interessant, innemend en inspirerend.

Ik denk dat Flevoland haar gemeenschappelijke geschiedenis uiteindelijk zal vinden in het migratieverhaal. Migratieprofessor Leo Lucassen heeft de geschiedenis van Flevoland eerder ook in die ontwikkeling geplaatst.
Iedere Flevolander is immers een migrant. Iedere Flevolander is hier met een reden naartoe getrokken. 

Ik ben dan ook niet de enige die zich vaak moet verantwoorden over mijn woonplaats. Bijna iedere Flevolander heeft op een verjaardagsfeestje wel eens de vraag gekregen: ‘Flevoland? Woon je daar? Waarom in vredesnaam?’ Dat gold voor de pioniers in de beginjaren van de Noordoostpolder, en dat geldt voor de derdegeneratieallochtoon die zijn eerste eigen huis in Almere koopt. We zouden, in navolging van de Anonieme Alcoholisten, best praatgroepen kunnen oprichten waarin we samen zoeken naar onze identiteit: de Anonieme Flevolanders… 

Mijn naam is Eva Vriend, ik ben 42 jaar en ik voel me thuis in de polder.

  • anonieme_Flevolanders

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.

bekeken1589x
reacties3x

Auteur

Anonieme Flevolanders
Eva Vriend
Schrijver, historicus en journalist
Visie op Flevoland
Visie op Flevoland