AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

Wat de onderwijsgeschiedenis ons leert

18 mei 2016

Onderwijsgeschiedenis in Almere is een bewogen geschiedenis. In het kader van de Almere Tafel [overleg tussen rijk, gemeente en lokale partners over over groei en het waarborgen van bestaande kwaliteiten. red], publiceerde Almere in 2012 een essay over deze geschiedenis, gebaseerd op  onderzoek van het Kohnstamm instituut. 

Als new-town had Almere een grote uitdaging om het aantal scholen in de pas te laten lopen met de nieuwe wijken die uit de grond verrezen. Zodra er woningen in gebruik werden genomen, moest er ook gelijk een school beschikbaar zijn. Het bood ook kansen. Er waren geen traditionele structuren, hetgeen veel speelruimte gaf. Door te experimenteren wisten schoolbesturen vaak investeringen naar hun school te halen.

Hang naar het nieuwe

Het essay schrijft hierover. ‘In Almere werd het onderwijs gebouwd ‘vanaf de bodem’, dat wil zeggen zonder de mogelijkheid om al bestaande structuren, kennis en sociale patronen te benutten. Dit bracht met zich mee dat er gepionierd werd met het onderwijs. Er was een geringe gerichtheid op opbrengsten, in combinatie met een sterke gerichtheid op pedagogische doelen en een sterke drang om nieuwe onderwijsconcepten in te voeren.’ 

Zo liep Almere vooruit op de nieuwe Wet op het basisonderwijs (1985), was de eerste VO school een experiment en doet Almere in het van de Experimentenwet in 1996 een aanvraag voor de stichting Gewoon Anders.  In feite loopt Almere voorop in de landelijke ontwikkelingen naar passend onderwijs.

De keerzijde van de pioniersmedaille 

Maar jaren later plukten de scholen er wrange vruchten van. Er werd niet gebouwd aan een echte basis. Het resultaat was dat in 2007 33% van de scholen ‘zwak’ was. Voor veel leerkrachten was Almere ook niet meer dan een doorgangshuis; hier waren wél banen dus men kwam vanuit Drenthe en Friesland hierheen. Maar zodra de werkgelegenheid in eigen regio toenam, vertrok men weer.

Dat zorgt er onder andere voor dat het lerend vermogen van de stad gering was. Of zoals in het essay gesteld wordt: ‘Uit het onderzoek blijkt ook dat pioniersdrang soms het bewaken van de basiskwaliteiten in de weg stond.<..> Almere is sterk toekomstgericht en er is weinig sprake van een gemeenschappelijk geheugen <..> Leren van het verleden is een kwaliteit die nog moet worden ontwikkeld.’

Gewoontjes ook goed?

Inmiddels is men aan het bouwen aan een vaste basis. De dynamiek komt tot rust. En langzamerhand wordt Almere – ook op onderwijsgebied- steeds meer een traditionele grote stad. Dat vindt lang niet iedereen fijn, want in Almere leeft toch immers nog de pioniersgeest?  Het ‘anders zijn’ lijkt voor Almere soms bijna een doel op zich. Maar daarin lijkt de stad ook wel eens ambivalent. Als het uitkomt, zegt ze vernieuwend te zijn en aan de andere kant probeert ze uit alle macht een zo normaal mogelijke stad te worden.

En daarmee rijst de vraag: Zou Flevoland niet wat meer waardering moeten krijgen voor het normale, het rustige? Kan het normale niet gewoon weer mooi zijn? Laten we genieten van een beetje burgerlijkheid. 

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.