AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

Verkoop je vakantiehuisje in Spanje, in Flevoland is het beter toeven

9 maart 2016

Ondanks dat het (nu al) gemiddeld vijf meter onder zeespiegel ligt, is Flevoland behoorlijk klimaatbestendig. Het watermanagementsysteem is zo robuust dat het nog wel wat zeespiegelstijging aankan. En dankzij de open, groene opzet van de steden is de impact van hitte of overvloedige regenval daar ook wel beperkt. Niets meer om over te praten dan? Allerminst, onze deskundigen hadden elkaar en de andere aanwezigen nog genoeg te melden.

Onze tafelgasten:

  • Pier Vellinga, Emeritus Hoogleraar Klimaatverandering en maatschappelijke implicaties.
  • Albert Remmelzwaal, Adviseur bij Rijkswaterstaat
  • Jan Verhagen, DLO Onderzoeker. Expertises: Klimaatverandering, Landbouw, Landbouwsystemen
  • Sanda Lenzholzer, Associate professor; expertises: Klimaatverandering, Landinrichting, Landschapsarchitectuur, stedenbouw

Consequenties van Parijs

Pier Vellinga geeft een mini college klimaat. In Parijs, zo stelt hij, konden eindelijk afspraken gemaakt worden omdat duurzame energie goedkoper wordt dan fossiel en daarmee economisch interessant. Duurzame energie is, net als ict, een ‘disruptieve technologie’; het gaat de dingen werkelijk en wezenlijk veranderen in de wereld. En net als met ICT is de technologie er al eerder klaar voor dan de maatschappij. Maar dat gaat komen, de tijd is er rijp voor.

En dat moet ook wel. Om de afspraak in Parijs te halen – toename in temperatuur van maximaal 2 graden  - mogen we vandaag eigenlijk al niet meer met de auto naar huis rijden. We moeten in rap tempo energieneutraal gaan worden. Maar dat gaat niet zomaar. Als je 2/3 van de energie in NL vanuit zonne-energie wil leveren, dan moet je een oppervlakte van drie provincies vol leggen met zonnepanelen. De techniek schrijdt voort; over 10 jaar hebben we daar alleen nog het oppervlak van Limburg voor nodig. Maar hoe dan ook: de (onvermijdelijke) keuze om energieneutraal te gaan worden, heeft grote gevolgen voor de ruimtelijke ordening.

Je kunt ook binnen de bestaande bebouwing beginnen, aldus Vellinga. Investeren in bestaande gebouwen en woningen is eigenlijk een no-brainer. Je neemt het geld dat je aan je energierekening kwijt bent en gebruikt dat om je woning energieneutraal te maken. Simpel toch? In 15 jaar verdien je dat terug. Dat is voor de markt en de gemiddelde particulier nog wat lang, dus de overheid zal ergens bij moeten springen met een garantiefonds of iets dergelijks. Of wat denk je van al die grote kantoren en fabriekshallen? Waarom die niet vol leggen met zonnepanelen? Daar zit de drempel in het feit dat de energierekening bedrijven eigenlijk bijna niets kost. Een verkeerde financiële prikkel dus.

Voedselproductie onder de loep

Ook vestigt Vellinga de aandacht op de landbouw en de voedselproductie. Een koe stoot net zoveel broeikasgas uit als een auto. Met evenveel koeien als auto’s op deze planeet zijn we er dus nog niet met het elektrisch rijden. En wat dacht je van het verschil tussen dierlijke of plantaardige eiwitten? Het kost vele malen meer energie en veroorzaakt meer uitstoot om dierlijke eiwitten (melk, vlees) te produceren dan de plantaardige voedingsstoffen. Jan Verhagen, DLO-onderzoeker landbouw en klimaatverandering,  waarschuwt op te passen met het simplificeren van cijfers: de ene koe is nu eenmaal de andere niet. Het maakt nogal uit of je over een melkkoe of een vleeskoe spreekt en of die hier of in Zuid-Amerika staat. En de landbouw is dan wel groot gebruiker van water, stelt Verhagen, maar de vraag is of ze ook verspiller is. De grootste milieurampen gebeuren in de keuken; wanneer je een maaltijd verprutst of weggooit, verspil je al het water en de energie die in het produceren (en vervoeren) van het voedsel is gegaan.

Einde voor ‘massa is kassa’

Toch, zo vervolgt Pier Vellinga, is de neiging in de landbouw nog altijd om besparingen te realiseren door efficiënter, grootschaliger, technologischer te gaan worden. Dat heeft voor de industrie uiteindelijk ook niet gewerkt: drastische omschakeling naar andere productiemethoden is noodzakelijk. De consument is daar klaar voor, aldus Vellinga. Er is een stabiele trend waar te nemen richting gezondheid en duurzaamheid in consumptie. Nu alleen nog onder de elite, maar dat wordt straks overgenomen door de massa.

Jan Verhagen ziet ook dat het van de consument moet komen. Helaas, vult hij aan, die is doorgaans niet zo betrouwbaar. Maar hij geeft Vellinga gelijk; de tijd van ‘massa is kassa’ is wel voorbij. We moeten gaan voor kwaliteit en dat is iets dat je zeker in Flevoland kunt doen.

Het water zal komen

Maar wat we ook doen om de verdere opwarming van de aarde tegen te gaan (mitigerende maatregelen), zelfs met 2 graden (en maak daar maar gerust 3 van, aldus Verhagen) krijgen we te maken met stijgende zeespiegels, periodes van hevige regenval en periodes van droogte. Daar moeten we ons op voorbereiden – en daarmee komen we op het vraagstuk van adaptatie.

Om nog even bij de landbouw te blijven. Boeren zullen steeds vaker te maken krijgen met extremen in weersomstandigheden – van uitermate nat tot uitermate droog. Het voorspellen ervan wordt lastiger, aldus Pier Vellinga. Wat is nog ‘normaal’ als normaal steeds gaat verschuiven? Verhagen ziet dat ook, maar nuanceert: landbouwers zeggen ‘extremen in het klimaat vallen in niet bij extremen in het beleid’.

Klimaat in de stad

Hoe adaptatie in de steden eruit moet zien, daar weet Sanda Lenzholzer alles van. Zij schreef het boek ‘Klimaat in de stad’. De effecten van klimaatverandering in de stad zijn heftiger dan in het buitengebied. Vanwege de dichtheid van de bebouwing en de grote hoeveelheid verhard oppervlakte krijgt men in de stad te maken met problemen als verhitting en regenwaterpiekbuienoverlast. Maar ook een probleem als wind – neem Almere centrum even in gedachten– is een gevolg van bebouwing in combinatie met toenemende hitte.

Maatregelen om hier iets aan te doen, zijn bijvoorbeeld beschaduwen – ook in de openbare ruimte, het geleiden van de wind en het onttegelen van de stad. Meer vijvers en meer groen; groene daken en gevels.

Pompen of verzuipen

Wat Flevoland verder moet doen om zich aan te passen aan het stijgende water, weet Albert Remmelzwaal, adviseur bij Rijkswaterstaat. Hij licht aan de hand van het onlangs afgeronde Deltaprogramma toe wat de keuzes voor Flevoland zijn. De gemalen houden Flevoland droog door water naar het IJsselmeer te pompen. Daar komt ook het water uit de IJssel en de Vecht op uit en er valt regen in. Om het IJsselmeer op peil te houden, laten we het water bij eb onder afloop in de Noordzee lopen: spuien heet dat. Stijgt echter de zeespiegel, dan kan er niet meer gespuid worden. Er zijn dan twee opties: pompen of het peil in het IJsselmeer laten stijgen. Dat laatste leek in eerste instantie meer voor de hand te liggen dan het wegpompen van al het water dat komt aanstromen. Maar de gevolgen van die keuze zouden enorm zijn: alle dijken om het IJsselmeer zouden moeten worden verzwaard en verhoogd en bovendien zou het een ecologische ramp zijn omdat het IJsselmeer al haar ondieptes zou verliezen. Lang verhaal kort: het wordt dus toch pompen of verzuipen. En dat wordt gelukkig geregeld in de aanpassingen die op termijn aan de afsluitdijk worden gedaan.

Waterbesparen als luxe

Aan de andere kant van het spectrum is er ook het vraagstuk van langer aanhoudende droogtes en daarmee watertekort. Gelukkig is dat in Flevoland niet zo’n nijpend probleem. We krijgen water vanuit de Veluwe en kunnen altijd ‘afromen’ vanaf het IJsselmeer. Alles wat we daarvoor moeten accepteren, is een iets grotere fluctuatie in het IJsselmeerpeil. Zuinig zijn met water moet eigenlijk iedereen op de planeet doen. Maar dat kunnen we in Flevoland wel doen vanuit een luxe-positie.

En daarmee introduceert Remmelzwaal een nieuwe invalshoek; die van kansen. Want met de unieke en eigenlijk zeer robuuste waterhuishouding en het vele groen – ook in de steden – is Flevoland een prachtig gebied voor mensen om hitte en droogte te ontvluchten. Een verkoelende oase tijdens hete zomers? Verkoop je huisje in Spanje, daar is het ’s zomers niet meer te harden. Kom naar Flevoland.

In de discussie die zich verder ontspint met tafelgasten en publiek, komen nog tal van vraagstukken én kansen voorbij. Van aanpassingen in de machinerie in de landbouw tot zonneakkers als onderdeel van de rotatieteelt in de polder. Over het volgende waren de aanwezigen het in grote lijnen eens:

  • Willen we Parijs kunnen nakomen, dan moeten adaptieve en mitigerende maatregelen gemeengoed/mainstream worden. Niet de projecten van enkele vooruitstrevende idealisten. In al ons handelen moeten we nadenken over de consequenties voor het klimaat.
  • In Flevoland  ‘leven’ we in de juiste tijdschaal; 50 jaar geleden is het allemaal bedacht, nu kijken we hoe ervoor staat en plannen we weer 50 jaar vooruit. Dat is de tijdschaal waarop je moet opereren.
  • Flevoland is bij uitstek geschikt om zich verder aan te passen: het is een groot landschapsexperiment, een living lab. Dat is de kwaliteit waarop we voort moeten bouwen.

Tafelheer en gespreksleider Co Verdaas concludeert bij het slot van deze vierde atelier-sessie dat al weer blijkt dat alles met alles samenhangt– van klimaat tot landbouw, tot het stadscentrum van Almere, tot gebiedspromotie en kansen voor toerisme en recreatie. De dwarsverbanden beginnen zich langzaam af te tekenen en verkennen we nog verder in de volgende sessies. Hou daarom de agenda in de gaten en blijf op de hoogte via de website of de digitale nieuwsbrief.

Presentaties

 

Meer informatie over deze Ateliersessie.

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.