AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

Typisch Flevoland - verslag

7 april 2016

Flevoland, een land van oude pioniers die de eerste schop in de aarde staken. Die uit het niets iets bouwden. En wat voor iets! …Tja, wat voor iets eigenlijk? Want wat is Flevoland nou precies? Wat is Typisch Flevoland? Hier volgt het verslag van de ateliersessie van 5 april 2016. 

Gespreksleider en tafelheer Co Verdaas doet de bekentenis dat hij van alle ateliersessie toch wel het meest uitkeek naar deze. Want identiteit is dan wel een van de minst grijpbare onderwerpen, het is misschien ook het meest wezenlijke. Met tafelgasten en publiek gingen we dus op zoek naar de identiteit van deze jongste provincie. 

Plekken doen ertoe

Maar niet voordat Wouter-Jan Verheul ons het theoretisch kader had geschetst. “Plekken doen ertoe. Ondanks de globalisering en ondanks het feit dat plekken meer en meer op elkaar gaan lijken door uniformiteit in winkelaanbod en bebouwing. Mensen hebben toch een sense-of-place. Denken we aan New York, dan horen we sirenes en voelen we de drukte. Denken we aan Toscane, dan loopt het water ons in de mond. Hoe mensen zich voelen, wordt in belangrijke mate bepaald door de plek waar we zijn.” 
En waarom is dat voor het schrijven van een omgevingsvisie belangrijk? “Je moet de plek kennen om hem te kunnen maken”, aldus Verheul

Maar ja, wat ís dan identiteit? Het antwoord daarop, vertelt Verheul, is onder andere te vinden in de sociale psychologie. We horen graag bij een groep en maken daarbij bewust de verschillen binnen de groep kleiner en de verschillen met mensen buiten onze groep groter. Dé identiteit bestaat niet – Máxima werd ooit nog flink op die uitspraak aangesproken. Maar het klopt in de zin dat het geen afgerond duidelijk afgebakend en vaststaand gegeven is. Het is een samenstelling van herkenbare elementen en bovendien nog in beweging ook. De elementen komen uit drie hoeken: sociaal-cultureel, economisch en fysiek. En om identiteit te definiëren, besluit Verheul zijn betoog, moeten  je op zoek naar facts, figures en feelings. 

Die ‘feelings’ krijgen we vervolgens ruimschoots boven tafel. Onze tafelgasten zijn namelijk gevraagd iets mee te brengen dan voor hen het Flevolandse gevoel weergeeft. 

Hurken of poepen?

Jan Gras – Lelystedeling en directeur van het Agora theater – schetst ons het beeld van de hurkende man omdat dat bij binnenkomst het eerste beeld was dat bij hem is blijven hangen. Hierop ontstaat nog een kleine discussie: Lelystedelingen noemen dit beeld steevast de ‘Poepende man’. Volgens Verheul overigens een teken dat zij zich het beeld hebben toegeëigend.

En hij noemt ‘zijn’ theater: het markante oranje Agora theater. Het noemt het een  statement van het stadsbestuur om in een stad die iedereen als ‘lelijk’ bestempeld zo’n markant monument te plaatsen waar iedereen wel wat vindt.  De provincie stuurt ook aan op markante plekken, weet Gras te vertellen. Flevoland heeft per inwoner de meeste kunst in de openbare ruimte. Bijzonder vindt hij dat. 

Gras waardeert verder de ruimte in Flevoland die hij als schaatser al kende voordat hij hierheen kwam. “En de centrale ligging is ideaal,” zegt hij. “Beter dan meeste mensen denken. Wanneer mensen uit het westen naar de schouwburg komen, zijn ze steevast te vroeg.” Gras noemt tot slot het pioniersgevoel dat hier heerst, hoewel hij niet zeker weet of dat het juiste woord is. “Een avontuurlijke geest, misschien is dat het.”

Met een fietspomp op tafel

Eva Vriend, 3e generatie Noordoostpoldenaar en journalist/schrijfster, gaat voor de zintuigelijke totaalervaring en zet een fietspomp op tafel. Ze is opgegroeid in de NOP waar haar opa in 1952 een boerderij startte. “Ik heb heel wat kilometers op de fiets door de polder afgelegd”, licht ze toe. “Op de basisschool 5 km heen en weer, op de middelbare 16 km heen en weer. Een fietspomp is eigenwijs, eigengereid. Het maakt lucht en wie wil nou lucht?” Als Eva een lekke band had, moest ze die van haar vader zelf plakken, maar daar had ze geen zin in. Dus fietste ze met halfzachte band van boerderij tot boerderij om hem tussentijds op te pompen. In de polder is men namelijk altijd bereid elkaar te helpen. Als ze bij een van de boerderijen de boer thuis trof, dan plakte die zelfs haar band. “En hé, ondanks die lekke band zorgde ik wél dat ik altijd op tijd was.” Want dat is ook des polders, volgens Eva, toch altijd binnen de lijntjes willen blijven. 

Eva: “In de polder wordt een beroep gedaan op eigen kracht, men kiest niet voor de makkelijke weg. Er is een zekere hardheid en discipline van vroeg opstaan. Maar ook een beredeneerdheid, zakelijkheid: het moet wel uitkunnen. Daar zijn de mensen in de NOP ook op geselecteerd – die grond die met veel gemeenschapsgeld was gerealiseerd, moest wel wat opbrengen.”

Het verhaal van het lelijke eendje

Marcel Kolder, ondernemer en kanteldenker, trakteert ons op een heuse column “Ik heb iets met lelijke eendjes. Misschien is dat de reden dat ik in Almere ben gaan wonen <…> Ik heb iets met lelijke eendjes. Misschien is dat de reden dat ik in allerhande initiatieven het beste wil voor mijn stad en Flevoland.<…> Ik heb iets met lelijke eendjes, want ik weet dat ze uiteindelijk veranderen in een mooie zwaan. Daarom woon en werk ik in deze provincie. En creëer ik met liefde een hart voor stad en land. Ons Flevoland.” (onderaan de pagina vindt u de volledige column). Volgens Kolder zijn we het Cirque du Soleil tussen alle oude circussen en moet Flevoland niet al te hard haar best doen om mainstream te worden. 

Van gemaakte naar geleefde omgeving

Ook het publiek mengde zich in de discussie over wat nou Typisch Flevoland is. Sjaak Kruis van Stadmakerij Flevoland brengt de Oostvaardersplassen in die aantonen dat zelfs in deze maakbare provincie dingen soms anders verlopen. “We denken – ook in deze discussie – nog vaak teveel vanuit de gemaakte omgeving. We moeten zoeken naar de geleefde omgeving.” Volgens Jeroen Kok, Burgerstatenlid voor D66 is Flevoland vooral eigenwijs en hardwerkend. “Pioniers die geen blad voor de mond nemen, maar een klein hartje hebben. De wijze waarop in deze provincie de asielopvang wordt opgepakt, maakt me trots.” 

Op het fysieke domein vlak kenmerkt Flevoland voor Kok de rechte lijnen, het landschap, de dijken en windmolens. “Een Mondriaan, zeg maar.”

Volgens Ronald Spanier, directeur servicecentrum Flevolandse Bibliotheken, is Flevoland vooral een overloopgebied. Hij kwam hier, net als velen, ooit voor de ruimte. Maar ruimte alleen is misschien niet meer genoeg. Het wordt tijd om meer compleet te worden, ook op cultureel gebied. 

Feiten: Flevoland is geen eenheid(?)

Co Verdaas brengt wat feiten in die in eerdere ateliersessies op zijn gekomen; Flevoland is de enige provincie die geen centrumgemeente heeft; in alle plaatsen is meer uitgaand dan inkomend verkeer wat betreft recreatie, winkelen, sport of werk. Daarbij komt dat de verschillende regio’s in Flevoland ieder vooral gericht is op het dichtstbijzijnde oude land. Ze hebben erg weinig met elkaar. Almere, tot slot, is voor velen niet meer dan een doorgangshuis voor weer een andere, betere plek om te wonen of te werken. Op basis hiervan vraagt hij zich af of er wel iets gemeenschappelijks als een Flevolandse identiteit te vinden is. André Geurts, conservator bij Nieuwland Erfgoedcentrum brengt in dat het niet gek is dat de dorpen weinig hebben met Lelystad en Almere. Ze zijn namelijk ook bewust apart gepland en ontwikkeld. Voor de boeren die een kilometer uit Almere woonden, was volgens de planmakers Zeewolde het centrum. 

De steden en de polders zijn dan wel gepland, identiteit ontstaat. En dat heeft tijd nodig. Alette Dokter, statenlid voor de Christen Unie beschrijft hoe dat proces voor haar verliep. “Ik ben van Flevoland gaan houden doordat ik het leerde kennen”. 

Voorbij het pioniersverhaal

Het gezelschap komt op de vraag of identiteit maakbaar is. Dat idee wordt gauw verlaten, maar beïnvloedbaar lijkt het toch wel zeker. We vragen het Demelza van der Maas die via een videoboodschap vertelt over haar onderzoek naar de effecten van de erfgoedverhalen. De drie verhalen (strijd tegen water, pre-historisch verhaal en het pioniersverhaal), blijken slechts in geringe mate te worden herkend en omarmd. We moeten dus op zoek naar nieuwe verhalen. De aanwezigen zien daar wel wat in, maar zijn nog zeker niet bereid om het pioniersverhaal los te laten. Er wordt nog wel gepionierd, gebouwd, nieuwe dingen ontwikkeld. Echter, wel door een beperkte groep voorlopers. Voor verreweg de meeste polderbewoners geldt dat niet. Die denken ‘pionieren? Ik woon hier gewoon’. 

Wonen met een mentaliteit

Dat wonen gebeurt volgens Jan Gras wel met een andere mentaliteit dan in andere ‘VINEX’ wijken. In Hoofddorp kreeg hij het gevoel dat de mensen weer weg wilden zodra hun kinderen het huis uit zijn. “Hier is het anders,” aldus Gras. “Je landt op nieuw land en bouwt het op. Je komt hier met een missie”. “En,” voegt Jeroen Kok er nog aan toe, “ik zie ook veel oud-klasgenoten na wat omzwervingen hier weer terug komen.”

Een uitspraak over Flevoland luidt “verbinding zoeken met elkaar is hier eigenlijk heel normaal”. Dat gaat in tegen hetgeen Marcel Kolder eerder zei over het gebrek aan ontmoetingen in Almere. Maar het wordt ook wel weer herkend. Sportverenigingen bijvoorbeeld wisselen veel onderling uit. Kennis, maar ook mensen en middelen. Er is minder sprake van concurrentie.

Bestendiging en toekomst

Na al deze input over wat de identiteit van Flevoland wel en niet zou kunnen zijn, geeft Wouter-Jan Verheul nog wat mee over hoe het verhaal van Flevoland – wanneer we die vinden – zou kunnen worden bestendigd. Belangrijk is om je er bewust van te zijn dat de pijlers (sociaal-cultureel, economisch en fysiek) gedrieën bij zouden moeten dragen aan hetzelfde verhaal. Is het verhaal van jouw regio bijvoorbeeld ingegeven door bestaande economische kenmerken (zoals Eindhoven), kijk dan of je in de fysieke en sociaal-culturele wereld daar ook elementen van kunt laten terugkomen. 

Daarnaast hoef je je niet te beperken tot de huidige, historisch gevormde identiteit. Je kunt er ook best nieuwe elementen aan toe voegen om tot een nieuwe, gewenste identiteit te komen. Maar die elementen moeten wel ergens vandaan komen, ze moeten passen bij het verleden en zo verbinding vormen naar de toekomst. 

Hoe verder?

Na deze geanimeerde en waardevolle discussie gaan onze gasten toch met een wat dubbel gevoel naar huis: hét verhaal hebben we nog niet gevonden. Gelukkig hebben we daar nog even voor en is dit slechts één van de stappen die we zetten om grip te krijgen op dit ongrijpbare onderwerp. Via de fotowedstrijd, gesprekken met ondernemers, straatinterviews en de nodige deskresearch puzzelen we verder. Om te kijken of we toch die 'herkenbare elementen’ kunnen vinden.

Op 20 april presenteert het atelier de tussenstand op dit thema en de andere onderwerpen in een sessie in het provinciehuis. Geïnteresseerd? Aanmelden kan hier.

  • verheul
  • Fietspomp op tafel
  • Videoboodschap Demelza vd Maas
  • Marcel Kolder
  • publiek
  • tekening

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.