AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

Houden van de polder

2 juni 2016

Mijn opa hield van de polder. Zelf geboren in Arnhem en sinds jaar en dag woonachtig in ’t Gooi. Hij heeft de polder met eigen ogen zien ontstaan, vanaf de overkant van het water. Ik kan hem niet meer vragen waarom hij zo van de polder hield. Maar mijn opa kennende was het een combinatie tussen zijn fascinatie voor het menselijk vernuft en zijn liefde voor de natuur.

Zelf had ik nooit zoveel met de polder. Het lag daar en dat was prima. Toen mijn vrienden en ik de leeftijd kregen om op zoek te gaan naar een eigen woning kwam Flevoland in beeld. Tenminste voor de stumperds die een huis in het Gooi niet konden veroorloven. (Of waren het de slimmeriken die geen genoegen namen met de hoge kosten voor een paar m2?)

Ik bleef lekker in ’t Gooi. Had een paar keer mazzel met de toewijzing van een huurwoning en heb inmiddels een heel fijn huis kunnen kopen. Maar beroepsmatig kwam ik in 2010 tóch in Flevoland terecht; als freelance communicatieadviseur bij de Gemeente Almere.

Almere bouwt

Bij het kennismakingsgesprek nam het toenmalig afdelingshoofd mij mee naar het raam en wees mij op de tientallen hijskranen. “Dat is het beeld van Almere. Dat is het al jaren en zal het nog jaren blijven: er wordt hier altijd wel ergens gebouwd.” De crisis heeft een paar van die kranen omver gehaald, maar gebouwd wordt er nog altijd. 

Ik mocht werken aan het verhaal van de Schaalsprong, Almere 2.0. En een van de eerste dagen maakten we met het team een fietstocht van Oosterwold, langs het Weerwater naar Pampus met de blik op het binnendijkse. Mijn kont voelt die rit nog, wat is Almere groot! En divers. Ik leerde over de meerkernige opbouw, de groen-blauw structuren en de gescheiden rijbanen. Langzaamaan begon mijn blik op de stad zich ten positieve te keren. 

Géén identiteit? 

Wie had gedacht dat ik een kleine zes jaar later op zoek mocht gaan naar de identiteit van Flevoland? Ik las over de geschiedenis, verslond het boek van Eva Vriend, sprak met erfgoedconsulenten, historici, ondernemers en de man op straat. En ik las stukken die van buitenaf óver de polder werden geschreven. De strekking van die verhalen: Flevoland hééft geen identiteit. In mij groeide de drang om deze fantastisch mooie polder te verdedigen. En om het tegendeel keihard te bewijzen. Want wat ik zo om mij heen zag, lag wel anders. 

Hoewel de drie polders (Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland) van elkaar verschillen en ieder van de centra meer contact heeft met het dichtstbijzijnde oude land dan met elkaar, is er toch veel wat hen bindt. Meer dan ze zich zelf realiseren denk ik. 

Strijd tegen het water

Allereerst het meest voor de hand liggende: alle polders zijn het resultaat van een zeer bijzondere en geslaagde strijd tegen het water. Iedereen in de polder woont onder zeeniveau. Voor de gemiddelde Japanner reden om (heel voorzichtig) af te reizen naar dit bijzondere gebied. Maar voor de gemiddelde Flevolander de normaalste zaak ter wereld. Zelfs iets waar nauwelijks bij wordt stilgestaan. Ondanks verwoede pogingen om het via musea, voorstellingen en verhalen te vertellen. 

Poldermentaliteit

Maar dan, misschien wel belangrijker, het verhaal van de mensen die er zijn komen wonen. Het verhaal van de eerste Noordoostpoldenaren is een heel bijzondere en ogenschijnlijk echt anders dan die van de Almeerder. Maar in alle gevallen kwamen en komen de mensen naar de polder met een droom. Of het nu gaat om waardevolle grond voor een florerend landbouwbedrijf, om het opzetten van een nieuw onderwijssysteem of om die twee-onder-een-kap-met-garage. Op het ‘oude land’ ontbrak het aan de ruimte om te ontplooien en om de droom na te jagen. Het nieuwe land gaf en geeft de ruimte en nodigt uit. 

Is ontevredenheid en gebrek aan mogelijkheden op het oude land niet een heel negatieve motivatie om naar de polder te trekken? Zo zou je het kunnen zien. Maar ik zie dat anders. Niet iedereen die ontevreden is, vertrekt namelijk. Het gros blijft – al dan niet mokkend – zitten en schikt zich. Niet de Homo Flevolandicus! Die is op zijn toekomst gericht, ziet kansen en is vastberaden er iets van te maken op het nieuwe land. Handen uit de mouwen en aan de slag. Dat gold voor de eerste boeren in de Noordoostpolder evengoed als voor de eerste schoolbestuurders in Almere. 

Het resultaat: een mentaliteit van doorpakken, van kansen zien, van innoveren, van experimenteren, van fouten durven maken. Van het kan wél. Van open staan voor elkaar, van verbinding zoeken. 

Ongekend succesvol

En wat heeft die mentaliteit veel gebracht! Natuurlijk, land droog leggen was knap werk. Maar wat dacht je van een samenleving opbouwen, steden laten verrijzen en floreren? 

De dorpjes in de Noordoostpolder bruisen van de burgerinitiatieven, met actieve dorpsraden en talloze verenigingen. Urk heeft met veel succes haar plek in de polder gevonden en tegelijk haar eigen karakter weten te behouden. De landbouw – waar de polder in eerste instantie voor gemaakt werd, heeft meer dan aan de verwachtingen voldaan. 

Lelystad heeft een publiekstrekker van formaat met Bataviastad. In Dronten kan iedere avontuurlijk recreant terecht voor sport en spanning. Zeewolde biedt ruimte aan bedrijven en is een prachtig sociaal dorp. Almere is een stad met allure. Of zoals de rijksbouwmeester zei: “Almere is als het onopvallende meisje in de klas dat uitgroeide tot prachtige vrouw waarvan je op de reunie denkt ‘he, hoe heb ik dat niet kunnen zien?’” 

Er is prachtige natuur ontstaan die geen planmaker had kunnen voorzien. En hoewel er kritiek is op het ontbreken van voldoende cultureel aanbod, kom je in Flevoland meer landschapskunst tegen dan waar ook in Nederland. Moet ik nog verder gaan?  

Het wordt tijd om ten volle te erkennen en te vieren dat Flevoland een prachtige provincie is, met zijn regionale verschillen. Dat verhaal van Flevoland mag de wereld horen. 

… hé… misschien ben ik wel net zoveel van Flevoland gaan houden als mijn opa? 

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.