AA Tekstgrootte
Visie op Flevoland

'De vrouwen van Walcheren wierpen hun klederdracht af'

1 februari 2016

Het is een maandagochtend en ik zit op de koffie bij Jaap Koning senior in Blokker, een dorp vlakbij Hoorn. Hoe kom ik bij hem terecht en waarom heb ik een gesprek met hem over Flevoland? Het begon bij zijn zoon, Jaap Koning junior. Van hem wist ik dat in zijn paspoort de ‘Noordoostelijke polder’ (een openbaar lichaam en nog geen gemeente) staat als geboorteplaats, en dat hij ook in de polder is opgegroeid. Bij navraag vertelde hij het een en ander, maar zijn woordenstroom stopte en hij zei: ‘Wil je echt een interessant gesprek over Flevoland hebben, dan moet je met mijn vader gaan praten. Hij werkte jarenlang bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders (RIJP).’ Wat, echt? Ja, dat gesprek wilde ik wel voeren. In onze zoektocht naar de identiteit van Flevoland pasten we dit gesprek in. 

Tegenover me zit een kwieke 92-jarige man met een ongelooflijk innemende vrolijkheid en bijpassende lach. Hij zegt meteen aan het begin van het gesprek dat hij ertegen opzag. Hij vroeg zich af wat hij te vertellen zou hebben en waar het eigenlijk voor was. Ik had me voorgenomen om het gesprek met de energieke Jaap als een cadeautje te zien. Gewoon praten en de verhalen horen van veertig jaar werken bij de RIJP en even zoveel jaren wonen in de polder. En wellicht komen er ook nog inzichten over de identiteit van Flevoland naar boven.

Hij komt oorspronkelijk uit Schagen, West-Friesland. Zijn vader had een tuinbouwbedrijf en Jaap zat op de landbouwschool. Het bedrijf van zijn vader overnemen zat er niet in. Op school hoorde hij van het werken aan de polders. Dat sprak hem aan, waarom weet hij niet precies. Jaap begint in 1947 te werken bij de RIJP, bij de afdeling onderzoek en gericht op de bodem en grond in de polder. Van het water land maken, daar heeft hij zijn bijdrage aan geleverd. Ook heeft hij zich beziggehouden met de kwaliteit van de grond, vooral van belang voor de agrarische activiteiten die erop plaats zouden gaan vinden. Het was vruchtbare, maar harde kleigrond waar de boeren mee te maken kregen. En zo gaf hij voorlichting over het lichter maken van de grond. Later kreeg hij een coördinerende functie en zat vaker op kantoor. Als het even kon ging hij naar buiten samen met collega’s.

Jaap trouwde in 1952 met een vrouw uit de omgeving waar hij oorspronkelijk vandaan kwam en ze kregen drie kinderen. Het gezin verhuisde van Ens naar Kampen en Lelystad. De gemeenschapszin werd meer gevoeld in het begin dat Jaap in de polder woonde. Het werk was avontuurlijk en wonen in die eindeloze polder voelde ook geweldig. ‘Het landschap was zo leeg. Je kon kijken tot aan de bomen bij Schokland. Prachtig vond ik dat, die ruimte.’

Iedereen zat in hetzelfde schuitje in de beginjaren en dat pionieren bond destijds nou eenmaal. Overal kwamen de mensen vandaan, met allemaal hun eigen taal en gebruiken. Zo vertelt Jaap over de vrouwen die vanuit Walcheren, Zeeland, in de polder kwamen wonen. Ze droegen in het begin nog hun klederdracht. Maar dat viel vaak niet in goede smaak bij de andere polderbewoners. ‘De vrouwen van Walcheren wierpen hun klederdracht af.’ Ik bedenk me op dat moment dat ze daarmee een stuk van hun Zeeuwse identiteit opgaven. Om vervolgens een nieuwe, Flevolandse, identiteit te ontwikkelen?

Of Jaap zich ook een Flevolandse identiteit heeft eigen gemaakt, is de vraag. Ik moet immers de polder uit om hem op te zoeken. Eind jaren tachtig wordt het duidelijk dat de inpoldering van de Markerwaard op zich laat wachten [red: uiteindelijk is jaren later definitief besloten om niet in te polderen]. Jaap, bij wie juist de expertise lag in het maken van water in land, bleef nog een paar jaar werken bij de RIJP totdat hij in 1987 met de VUT ging. Toen was het voor hem tijd om uit Lelystad te vertrekken. Terug naar zijn wortels, West-Friesland. En daar woont hij nog steeds met veel plezier.

Reageren zonder in te loggen? Schrijf je reactie, vul je naam en e-mailadres in en vink ‘Ik reageer liever als gast’ aan.